Hollandse Meesters – Vragenvuur

De vragen uit de zaal

Op 22 november kon het publiek schriftelijk vragen inleveren voor de Hollandse Meesters en hun deelgenoten. Hier is een selectie van die vragen te lezen. Nog niet alle antwoorden zijn verzameld. De komende tijd zullen daarom nog antwoorden toegevoegd worden.

1. Zou het mogelijk zijn de vijf meesters gezamenlijk één leidraad te laten formuleren voor de omgang met ‘probleemgedrag’?

Anton Došen: Dit zou mogelijk zijn binnen het kader van een integratieve benadering (holistisch assessment, integratieve diagnose en integratieve behandeling) van het probleem.  

Gerrit Vignero: In één zin: Wees bewust van de sociaal-emotionele invalshoek die je in je begeleiding kiest.  Een korte zin maar met de  inhoud die er achter ligt, daar gaat het om. Ik heb de indruk dat als je de meesters  leest en hoort zij allen op zoek zijn naar het emotioneel ontwikkelingsniveau waarop je iemand met probleemgedrag best aanspreekt. Van de poging tot verduidelijking hieronder ben ik me er bewust van en ben soms iets te kort door de bocht te gaan. Reageer gerust. 

Došen heeft het thema op de kaart gezet. Hij ontwikkelde een kader en een instrument om begeleiders bewust te maken van het overschatten of onderschatten van cliënten.

Heijkoop brengt het thema ook sterk naar voor (kunnen versus aankunnen) maar geeft al een aantal keuzes  wat betreft de sociaal-emotionele thema’s die in zijn methode aan bod komen. Heijkoop gaat er van uit dat cliënten verbinding willen en in verbinding gezien willen worden en maakt dit naast heel wat andere elementen ook als uitgangspunt voor zijn methode.  Ik herken dit ook bij Van Gemert die daarnaast veel nadruk legt op perspectief en het denken rond een ruimer netwerk.  

Duker is het meest uitgesproken in zijn keuze: verbinding is niet nodig. Ik interpreteer zijn kijk als een toepassing binnen het meest basale sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau: conditionering en de  gedragsmatige aanpak van actie en reactie. Hij  gaat er vanuit dat in de begeleiding van cliënten met ernstig probleemgedrag verbinding (noem het hechting) niet meespeelt. 

Van Berckelaer, mede door de doelgroep waar ze zich op richt, gaat vooral inzoomen op invalshoeken uit het eerste ontwikkelingsthema met name voorspelbaarheid in tijd, ruimte en activiteit. Het creëren van basiscondities waar door de cliënt mee kan draaien in een wereld die niet volgens zijn logica functioneert.  

Graag verwijs ik ook naar mijn  werkmodel en boek met name ‘de draad tussen cliënt en begeleider. Aan de hand van een metafoor van een draad tussen cliënt en begeleider worden de ontwikkelingsthema’s verduidelijkt. Het zou te ver leiden om dit hier uit te werken, maar geïnteresseerden mogen mij zeker contacteren op gerritvignero@gmail.com of kunnen mijn website bekijken gerritvignero.webklik.nl  

Filip Morisse: Misschien mogelijk, niet wenselijk.  Rijkheid zit in het verschil … Ervaring wijst uit dat als je een leidraad, model, concept goed onder de knie krijgt en in team op dat vlak dezelfde taal spreekt, dit gunstig werkt in de omgang met probleemgedrag, onafgezien van de aard van de problematiek. Dus naast integratie van verschillende perspectieven , lijkt me ‘keuze’ voor 1 model te verkiezen om te vermijden dat er een soort ‘brochette’ (‘saté’ in het Nederlands J) van eclecticisme ontstaat.

Carmen van Bussel: Succes, Hollandse Meesters! Meer eh…. is het niet zo dat ‘methodisch werken’ onze gemeenschappelijke leidraad al is? Of denk ik nu te simpel…? En ik denk dat methodisch werken alleen maar aan kracht wint, wanneer dit wordt gebouwd op een sterke visie, een perspectief, en liever nog een basale overtuiging: herstel van het gewone leven.

Yvette Dijkxhoorn: De vraag roept een vraag op, namelijk wat wordt er verstaan onder één leidraad. Als het antwoord is dat er één methodiek omschreven moet worden, is het antwoord volgens mij ‘nee’. Als onder een leidraad wordt verstaan een werkwijze met checklists of een stappenplan, dan zou dat moeten kunnen, dan krijg je een beschrijving zoals in het boek omgaan met zelf verwondend gedrag. De verschillen in visie tussen de vijf meesters is behoorlijk groot en zij staan andere methodieken voor. Ik zou kunnen bedenken dat ze allen hun eigen bijdrage zouden moeten en kunnen leveren, van management en teambegeleiding, tot individuele diagnostiek en individuele behandeling op pedagogisch en psychiatrisch gebied, waarop een ieder van deze meesters een eigen expertise heeft, die aanvullend kan zijn.

 

2. ‘Normaal <> abnormaal <> psychische stoornis’ Leiden deze begrippen niet tot nieuwe etiketten/labels, met alle (negatieve) gevolgen van dien?

Anton Došen: Deze differentiatie heeft tot doel een zicht te krijgen op de ernst van het probleem, als ook op de vraag wie in de eerste instantie hulp of behandeling nodig heeft: de persoon, de omgeving of beiden, en hoe? De etikettering die door de diagnose kan ontstaan is van een secundaire betekenis, omdat de doelstelling is behandeling van het probleem, waardoor de persoon geholpen kan worden en de diagnose afgeschaft kan worden.       

 

3. Er wordt veel gesproken over ‘context, interacties, relaties,’etc. Hoe zien de meesters het verbeteren van kwaliteit van leven van mensen met een VB in veel voorkomende omgevingen, waarin veel onbekende begeleiders en oproepkrachten werken, die bovendien vaak wisselen?[

Anton Došen: Professionalisering en een goede organisatie zijn de voorwaarden voor een goede zorg. Tegenwoordig bestaat er betrekkelijk veel kennis betreffend de processen die tot problemen leiden, als ook betreffend de basale behoeften van mensen met een VB. Helaas het gebeurt betrekkelijk vaak in de praktijk dat deze kennis door de hulpverleners onvoldoende benut wordt. Een permanente educatie van de hulpverleners en de organisatie van de hulpverlening gericht op het tegemoet komen aan de basale behoeften van de persoon zijn onmisbaar voor een goede zorg voor deze populatie.     

Ina van Berckelaer-Onnes: De vele personeelswisselingen is een zwak punt in onze zorg, waar weinig aan veranderd kan worden. Dit impliceert dat er gestreefd moet worden naar een stabiel pedagogisch klimaat. Er moeten daarover duidelijke afspraken zijn. De zorg coördinator moet dat goed in de gaten houden. Iedere begeleider heeft zijn eigen stijl (dat mag, brengt ook leven in een setting), maar de wijze waarop de cliënt benaderd moet worden, dient helder te zijn. De aanpak moet goed op elkaar afgestemd te zijn. Dit houdt in dat het beeld van de cliënt dermate goed omschreven moet zijn, dat de wijze van benaderen overdraagbaar is. En aan dit laatste ontbreekt het nogal eens.

 

4. Welke wetenschappelijke ontwikkelingen ziet u met betrekking tot de preventie van ‘probleemgedrag’? Wat is er in dat opzicht nodig?

Anton Došen: Een adequate stimulatie van de gezonde ontwikkeling is m.i. de beste preventie van het probleemgedrag. Voor een goede stimulatie is het nodig dat de ouders en hulpverleners weten wat (welke aspecten van psychosociale ontwikkeling) gestimuleerd moet worden. Voor deze taak is het wezenlijk dat de hulpverleners een goede zicht op de biologische factoren en psychosociale ontwikkelingsaspecten van het kind hebben. De recente wetenschappelijke inzichten in verschillende genetische en andere biologische syndromen, als ook toenemende kennis betreffend gehechtheid hebben een belangrijke bijdrage aan de deskundigheidsbevordering van de hulpverleners geleverd. In de huidige praktijk groeit de aandacht van de hulpverleners voor de emotionele ontwikkeling van de personen met VB. Het wordt duidelijk dat naast de stimulatie van de cognitieve en sociale aspecten is het noodzakelijk dat zowel de ouders als de hulpverleners voldoende aandacht aan de stimulatie van de emotionele ontwikkeling van een kind met een VB besteden. Helaas voor de emotionele en persoonlijkheid ontwikkeling van mensen met een VB bestaat nog steeds te weinig wetenschappelijke aandacht. M.i.  kennis betreffend niveau van emotionele ontwikkeling van de persoon en een adequaat inspelen op de zijn/haar basale emotionele behoeften, is belangrijk zowel voor de stimulatie van de totale psychosociale ontwikkeling as voor de preventie van probleemgedrag.  

Ina van Berckelaer-Onnes: Er wordt nog te weinig lering getrokken uit de CCE casussen. Vaak zien we dat er dingen uit de hand zijn gelopen die vermeden hadden kunnen worden. Het heeft te maken met een ontbrekend helder beeld van de cliënt. Als die er niet is en de gewenste benadering niet bekend is bij de begeleiding, is de kans op miss matching groot, met alle gevolgen van dien.

Voorbeeld: een jonge man met autisme moet zich plotseling zelf wassen met een washandje, terwijl hij dat thuis doet met een wasdoekje. Hij weigert, hij wordt gedwongen en krijgt een enorme woede aanval. Uiteindelijk loopt het zo uit de hand dat hij zich helemaal niet meer wil wassen en elke groepsleiders fysiek aanvalt als ze met een handdoek aan komen zetten.

Van deze cliënt blijkt later dat hij nooit handschoenen wil dragen, hij moet zijn handen altijd zien. Simpele informatie die echter niet bekend is bij de begeleiders. Kijk eerst naar de cliënt, verdiep je erin, vraag naar het dossier, bevraag de ouders. Het valt mij op dat er vaak te weinig informatie uit de diagnostische onderzoeken wordt doorgegeven aan degenen die de begeleiding daadwerkelijk moeten uitvoeren.

Yvette Dijkxhoorn: De cumulatie van onderzoek naar hechting en vroeginterventies gericht op ouder-/kind-interacties, maar ook de groeiende kennis over hoe de inrichting van onderwijs/zorg van invloed is op het ontstaan en in stand houden van probleemgedrag , maar vooral ook het voorkomen van verwaarlozing en misbruik zou moeten leiden tot specifieke richtlijnen. Dit is echter helemaal niet de lijn waarop beleidsmakers zich momenteel richten, het inzetten van specifieke VG-kennis in de eerste lijn (bv. Centra voor Jeugd en Gezin, Consultatiebureaus, kinderartsen) is geenszins gewaarborgd. Bijvoorbeeld de Denver Study, waarbij intensieve, gezinsgerichte interventies worden gepleegd in gezinnen met kinderen met autisme, is veelbelovend. Of dit op de lange termijn minder probleemgedrag oplevert weten we nog niet zeker, maar het ziet er veelbelovend uit.

 

5. Welke wetenschappelijke ontwikkelingen ziet u met betrekking tot onderzoek/ assessment/ diagnostiek/beeldvorming rond ‘probleemgedrag? Wat is er in dat opzicht nodig?

Anton Došen: De complexiteit van de gedrags- en psychische problematiek van mensen met een VB is zo groot, dat een traditionele psychiatrische benadering vanuit biologische, psychologische en sociale perspectieven onvoldoende zicht in de assessment, diagnostiek en behandeling van de problematiek biedt. In de praktijk is gebleken dat de toevoeging van de ontwikkelingsdimensie, als de vierde dimensie, meer licht op de problematiek werpt en de mogelijkheid biedt om tot een integratieve (multidimensionele en multiprofessionele) diagnose en behandeling te komen. Ondanks goede ervaringen in de praktijk met de integratieve benadering, een wettenschappelijke onderbouwing van deze toegang tot de problematiek bij deze populatie is noodzakelijk.

Ina van Berckelaer-Onnes: Dit antwoord sluit aan bij het vorige: er wordt nog te weinig gedaan met datgene wat we leren van de CCE casussen. Het zou een goed idee zijn als we hier meer aandacht aan besteden. De Hollandse Meesters kunnen hier misschien het voortouw in nemen door een aantal gevallen heel goed uit te schrijven en daar adviserende conclusies aan te verbinden. Veel CCE cliënten hebben naast een verstandelijke beperking ook een vorm van autisme (ik meen ongeveer 66%), die tot op moment van aanmelding nog niet is ontdekt. We weten dat er bij mensen met een VB onder gediagnosticeerd wordt wat ASS betreft. De combinatie autisme en een verstandelijke beperking draagt een verhoogd risico voor gedragsproblemen met zich mee. Bij een vroege autisme aanpak vermindert dit risico. Hier moet meer bekendheid aan worden gegeven.

Yvette Dijkxhoorn: Er is een tekort aan instrumentarium voor de specifieke groep, vooral waar het de lagere niveaus en meervoudige beperkingen betreft, maar een veel groter probleem is hoe weinig beschikbaar instrumentarium wordt ingezet. Er wordt maar zeer zelden verklarende diagnostiek en/of functionele analyses uitgevoerd. Ook assessment van de invloed van de omgeving op probleemgedrag wordt maar zeer zelden ingezet.

 

6. Welke wetenschappelijke ontwikkelingen ziet u met betrekking tot begeleiding/interventie/behandeling van ‘probleemgedrag’? Wat is er in dat opzicht nodig?

Anton Došen: De interventie (begeleiding of behandeling) is afhankelijk van de diagnostische overweging. Bij een moeilijk, voor de omgeving lastig gedrag, dat toch als een normaal verschijnsel voor de betrokken persoon (het gedrag is adequaat voor het ontwikkelingsniveau van de persoon en de omgevingsomstandigheden) gezien wordt, de interventie zal voornamelijk aan de aanpassing van de omgeving op de basale behoeften van de persoon gericht worden. Bij een probleemgedrag de interventie (behandeling) zal zowel aan de omgeving als aan de persoon gericht worden. Bij een psychiatrische stoornis de nadruk zal aan de behandeling van de persoon liggen, maar de omgeving moet bij deze behandeling op verschillende manieren ook betrokken worden. Het type van de interventie zal afhankelijk zijn van de ontdekking van de processen (ontstaansmechanisme) die tot het probleem geleid hebben.          

Ina van Berckelaer-Onnes: Ook hier moeten we lering trekking uit de gevallen waarbij het herstel van het gewone leven (binnen zijn/haar mogelijkheden)weer gerealiseerd wordt. Uit de verschillende trajecten zijn wel algemene conclusies te trekken. Een daarvan is de te grote afstand tussen begeleiders en het hogere management. Bij het laatste ontbreekt de directe betrokkenheid nog wel eens. Van achter een bureau run je geen zorginstelling. Men moet weten wat zich op de vloer afspeelt. Een ander is de alertie op comorbiditeit, waarbij vaak een andere vorm van behandeling nodig is. Ook hier zou met behulp van nauwkeurig beschreven behandeltrajecten meer informatie mogelijk zijn.

Yvette Dijkxhoorn: Ook hier geldt dat niet wordt gekeken wat de meest passende interventie voor de specifieke persoon, in zijn eigen omgeving is, maar wordt voornamelijk aanbodgericht geredeneerd. Mensen met moeilijk gedrag worden gegroepeerd in groepen met veel moeilijk gedrag, soms met wel een specifieke begeleidingsmethodiek, maar lang niet altijd.

Interventiestudies zijn relatief zeldzaam, behalve daar waar het gaat om interventies op een specifieke probleemgedraging. Het onderzoeken van systemen is complex, maar zou wel moeten gebeuren, evenals studies naar welke interventies effectief zijn voor welke persoon in welke context.

 

7. (Pedagogisch) klimaat en aandacht voor de relatie gaan vooraf aan elke methodiek. Het gewone wordt tegenwoordig vaak gezien als ouderwets of niet (meer) bruikbaar. Hoe zorgen we ervoor, dat opvoeden weer als belangrijk wordt ervaren?

Ina van Berckelaer-Onnes: Een goede vraag. In de zorg is te veel nadruk komen te liggen op behandelen in plaats van begeleiden/groot brengen/opvoeden. Hierdoor is de huiskamer geleidelijk aan veranderd in een soort spreekkamer. De gezelligheid ontbreekt vaak, terwijl dat met een leuke aankleding al deels te veranderen is. Natuurlijk hebben we het over bewoners die een beperking hebben, maar dat neemt niet weg dat ze ook heel veel behoefte aan en recht hebben op gezelligheid, warmte en nabijheid. Daarnaast zijn een aantal gedragsproblemen niet altijd het gevolg van de stoornis; ze kunnen ook bij de leeftijdsfase behoren en dan is gewoon opvoeden nodig. Ik acht het van essentieel belang dat groepsleiders zich realiseren dat zij ook opvoeders zijn en niet alleen behandelaars. Zij nemen een groot deel van de taak van ouders over en dienen daarin ondersteund te worden. (Ortho)pedagogen die in instellingen voor mensen met een verstandelijke beperking werken, kunnen daar een belangrijke rol in spelen. We moeten terug naar het gewone leven. Daar moeten gedragsdeskundigen en begeleiders meer oog voor hebben. Het gaat om de mens met een verstandelijke beperking, niet om de stoornis verstandelijke beperking. En bij het eerste hoort opvoeden!

Jacques Heijkoop: Analyse Mijn ervaring is dat het belang van het gewone, in elk geval intuïtief, volop aanwezig is bij begeleiders en familieleden. Door de veranderde professionele kennis en de daaruit voorvloeiende communicatie is het gewone naar de achtergrond gedrukt als gevolg van een toenemende focus op (probleem)gedrag en stoornissen. Problematiek wordt daarmee gelokaliseerd binnen de cliënt. Door het verschuiven van de focus lijkt het contact en relatie tussen begeleider en cliënt niet meer van belang te zijn. De rol van de begeleider wordt versmald tot uitvoerder van afspraken die voortvloeien uit de functionele analyse van probleemgedrag en de compensatie van stoornissen door het manipuleren van de omgeving.

Wie en Wat Het ‘wie’ van het persoonlijke dreigt overschaduwd te worden door het ‘wat’ van de stoornis of categorie van probleemgedrag. Het ‘wie’ en ‘wat’ zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het ‘wie’ zonder het ‘wat’ leidt tot onnodige misverstanden en het ‘wat’ zonder het ‘wie’ is een lege huls. Met de verschuiving van de focus van het ‘wie’ naar het ‘wat’ verdwijnt het persoonlijke uit het normale spraakgebruik. Bijvoorbeeld:

  • als de cliënt druk is: zijn er te veel ‘prikkels’ of heeft hij moeite met ‘prikkelverwerking’
  • een emotionele bui: is een ‘impuls doorbraak’
  • nieuwsgierigheid of verveling: wordt uitgedrukt in een ‘alertheidniveau’;
  • opwinding: krijgt een cijfer van 1 tm5.

Misschien zijn het vanuit theoretisch oogpunt relevante begrippen. Voor meer aandacht en belang van de kwaliteit van dagelijkse omgang en opvoeding zijn ze m.i. schadelijk. Met het belang van het ‘gewone’ verdwijnt automatisch de bezinning op het perspectief van opvoeding. Perspectief op ‘groei naar volwassenheid’ wordt versmald tot het voorkomen van onrust of drukte en/of het formuleren van ontwikkelingsdoelen die ‘smart’ moeten worden getoetst.

Alternatief Richt de aandacht op het gewone in het contact tussen cliënt en begeleider.

  • Sla bij consultatie niet meteen het dossier open want dat staat vol met ‘wat’ uitspraken. Die kennis, zonder inzicht in het ‘wie’, heeft begeleiders en de ondersteunende gedragswetenschapper tot dan toe niet geholpen om uit de impasse te komen.
  • Laat je verrassen! Richt de aandacht op het ‘wie’ naast het gegeven van ‘wat’ van de stoornis. Ook al heeft men er vaak geen vertrouwen meer in om zelf uit de impasse te komen, de mogelijkheden zijn binnen het sociale systeem nog steeds aanwezig.
  • Start een consultatie met een rustige kennismaking met alle betrokkenen inclusief de cliënt.
  • Sta niet alleen stil bij de zorgen die men heeft, maar luister en kijk goed naar wat de cliënt en zijn begeleider belangrijk vinden tijdens de dagelijkse contacten. Het motiveert hen om over het gewone mee te denken.
  • Kijk samen met de begeleiders naar hoe de cliënt zich in het dagelijks leven staande weet te houden, juist op die momenten dat er geen probleemgedrag is.
  • Vraag aan begeleiders met kinderen wat ze uit de gewone ontwikkeling en opvoeding herkennen bij de cliënt.
  • Deel de indrukken uit de kennismakingscontacten met het team van begeleiders, gedragswetenschapper en leidinggevende.
  • Rond deze bespreking af met een inventarisatie van de al aanwezige mogelijkheden en nodig hen uit om een plan te maken hoe die mogelijkheden gericht te ontwikkelen.
  • Kom enkele weken later hier op terug en bespreek de verschillende mogelijkheden voor het ondersteunen van het plan.

Kort en lange termijn resultaat Natuurlijk heeft men niet voor niets om hulp gevraagd. Een valkuil war je als consulent in kunt vallen, is dat men de hier boven genoemde stap overslaat en direct met gangbare diagnostiek start met de daaruit voorvloeiende richtlijnen. De nood is hoog en worden de richtlijnen welwillend uitgevoerd. Als er dan een terugval komt, is men vaak niet in staat de op gang gebrachte veranderingen weer zelf op te pakken en uit te bouwen. De richtlijnen sluiten m.i. vaak niet aan bij de eigen ontwikkeling en mogelijkheden van begeleiders en familieleden binnen gewone dagelijkse omgang.

Als het wel een blijvend positieve werking heeft, dan zie ik bij begeleiders vaak een opstelling in het contact met de cliënt waarin ze weinig als persoon aanwezig zijn om ze afspraken uitvoeren die door anderen zijn bedacht.

Systematische werkwijze In de loop van de tijd heb ik een systematische manier van samenwerken ontwikkeld, dat begeleiders bewust maakt van de mogelijkheden die zij en de cliënt hebben om het wederzijds vertrouwen en zelfvertrouwen te versterken. Kenmerkend voor die werkwijze is dat begeleiders met elkaar actief onderzoek doen, analyses maken en begeleidingskwaliteiten formuleren en ontwikkelen voor dagelijkse omgang.

Er zijn verschillende instrumenten ontwikkeld. Videoanalyse Ontdekkend Kijken is het basisinstrument. Via dit instrument wordt de begeleider zich op een heel natuurlijke wijze bewust van de manieren waarop zijn cliënt (en daarmee bedoel ik elke persoon die voor zijn welzijn afhankelijk is van een ouder, opvoeder, begeleider, verzorger, helper, leerkracht) laat zien:

  • hoe hij zich voelt
  • of en hoe betrokken hij is
  • hoe en wat hij communiceert
  • of en hoe hij contact zoekt.

Kwaliteit van de dagelijkse omgang De begeleider krijgt het gevoel dat hij zijn cliënt opnieuw leert kennen. Dat wakkert zijn belangstelling voor de cliënt aan, hij wordt nieuwsgierig naar wat hem beweegt, heeft meer aandacht voor het contact tussen hen, en het helpt hem om de samenwerking wederkerig te maken, afgestemd op de mogelijkheden van de cliënt. Wie eenmaal op deze manier de cliënt heeft leren kennen, ervaart dat de relatie er met sprongen op vooruit gaat: het wederzijdse vertrouwen groeit.

Carmen van Bussel: Ik ben het deels eens met deze vraag cq. stelling. ‘Het gewone’ zijn we m.i. inderdaad ergens kwijtgeraakt in onze sector. Ik denk in een samenloop van vele omstandigheden (verzakelijking van de zorg, het beleefde keurslijf van de zorgplannen, minder handen aan het bed, verantwoordingscultuur, ‘strijd’ tussen verschillende methodieken, benaderingswijzen en stromingen, angst en onzekerheid bij ingewikkeld gedrag en behoefte aan het beheersen daarvan?).

Wat is de oplossing? Ophouden met het lezen van pedagogische boeken? Een paar stappen terug richting geloof in en erkenning van de eigen intuïtie, naar oprechte belangstelling voor de ander en vertrouwen in de goede intenties van elk mens? Van mij mag het.

Maar ik zou het begrip ‘opvoeding’ uit bovenstaande vraag graag willen veranderen in iets als ‘samen leven en samen (op)groeien’, omdat het aangaan van een relatie niet voorbehouden is aan de ‘opvoeding’. De term ‘opvoeding’ kan bovendien de suggestie geven dat de beïnvloeding eenrichtingsverkeer kan zijn, van de een naar de ander. Ik zie meer kansen en mogelijkheden als we denken in wederzijdse beïnvloeding tussen alle betrokkenen in een systeem.

Filip Morisse: Door de vergelijking te maken met de eigen emotionele ontwikkeling en die van je omgeving, je kinderen,…  Als daar iets opgaat, zal dit ook zo zijn voor de doelgroep.

Door af en toe je af te vragen of het nog ‘normaal’ is wat je doet: zou je dat ook doen moest vergelijkbaar gedrag gebeuren in je straat, in je eigen omgeving,…  Vertel af en toe eens bij je vrienden in de kroeg wat je doet en vraag of ze dat normaal vinden?

 

8. Hoe komt het, dat bij het aanbieden van gedragstherapie als middel om automutilerend gedrag te verminderen of te doen stoppen, opeens de visie van de organisatie het motief is dit aanbod af te wijzen?

Carmen van Bussel: Het feit dat deze vraag gesteld wordt, stemt mij optimistisch. Gelukkig zijn er meer mensen die het verschil tussen ‘een visie’ en ‘een middel’ weten! Helaas kom ik nog steeds vaak tegen dat collega’s ‘voor’ of ‘tegen’ een bepaalde benadering zijn. Dat vind ik niet erg, maar het wordt wel een belemmering wanneer de visie of methode een dogma is geworden, buiten welke kaders niet meer gekeken kan worden. Nog vervelender wordt het, wanneer de collega bij doorvragen eigenlijk niet eens goed blijkt weten wat de betreffende benadering dan inhoudt. Ook zijn er collega’s die hun eigen organisatievisie op zeer strikte wijze uitleggen en hanteren.

Dit niet goed geïnformeerd zijn, of aan de eigen visie ten onrechte te veel houvast ontlenen, is volgens mij de reden om een bepaalde werk- of behandelwijze op te hemelen of af te wijzen.

Ik zie dit veel terug bij de gedragstherapeutische methoden, maar ook bij ‘nieuwe’ benaderingen of behandelingen als ‘Triple-C’ of ‘EMDR’.

Jacques Heijkoop refereerde ook even aan dit verschijnsel in zijn introductievideo: collega’s die bij hem een training ‘Anders Kijken’ hebben gevolgd, propageren te werken volgens ‘De Methode Heijkoop’, maar dit op een manier gebruiken die de kern van de benadering niet (meer) raakt.

Kennelijk zitten wij mensen zo in elkaar, dat we altijd ergens houvast aan nodig hebben.

Volgens mij kan er maar één reden zijn om een middel/methode ter behandeling van automutilatie op grond van een visie af te wijzen: als er alternatieve middelen (lees: benaderingen, methoden, manieren van aanpakken) zijn met een verwacht vergelijkbaar resultaat.

Overigens: bij de casus die ik presenteerde in het voorprogramma van de Hollandse Meesters, is de gedragstherapeutische behandeling uiteindelijk wel doorgegaan, omdat de moeder en de nieuwe gedragsdeskundige de meerwaarde ervan inzagen. De behandeling had een goed resultaat: de beschermende armkokers waren niet meer nodig en de woonomgeving is genormaliseerd (niet meer gecapitonneerd) en het zelfverwondend gedrag komt nog maar zeer incidenteel en in een lage intensiteit voor. Cliënte heeft volledige dagbesteding en is over het algemeen goed gestemd. Medewerkers werken graag met haar…. en dat lukt hen inmiddels al 15 jaar.

  

Reageer